U bent hier

4.3 ECONOMISCHE TUSSENKOMST

Naast regulering kan de overheid ook overgaan tot het toekennen van subsidies. Deze kunnen direct of indirect zijn.

Indirecte steun is vaak algemener en wordt toegekend aan verschillende mediagroepen of –producten. Het betreft vaak een belastingvoordeel.

Directe steun is vaak selectiever van aard. Hierbij wordt steun verleend aan de productie of distributie van media. Alsook kan tegemoet worden gekomen aan ontwikkelingskosten of kan de overheid bepaalde samenwerkingsverbanden toestaan. Er wordt dan uitgegaan van een algemenere bepaling, bv. marktaandelen, om een deel van de mediabedrijven of –producten af te zonderen en te bevoordelen. Directe steun kan dus meer zijn dan het toekennen van subsidies.

In wat volgt, worden drie voorbeelden van steun door de overheid uitgewerkt, nl. ‘steun aan de geschreven pers – MediAcademie’[154], ‘steun aan de regionale omroeporganisaties’ en de ‘stimuleringsregeling van de audiovisuele sector’.

4.3.1.MediAcademie

Tot voor 1998 was de steun aan de geschreven pers een federale materie geregeld via een wet. Daarna ontstond een protocol waarbij er een rechtstreekse steun van 36,3 miljoen Belgische frank (nu ongeveer 900.000 euro) vanwege de Vlaamse Overheid aan de individuele uitgevers van geschreven pers werd geboden. De steun aan alle krantenuitgevers en een specifieke steun voor kranten in nood diende tot behoud van de verscheidenheid in de opiniedagbladpers. Door het succes werd de steun aan de geschreven pers opgeschoven naar digitale multimediaprojecten opdat de sector zich op een digitale toekomst zou kunnen voorbereiden en werd het een bevoegdheid van de gemeenschappen. De protocols zijn nadien nog verschillende keren hernieuwd.[155]

In 2008 verscheen het laatste protocol waarin de nadruk werd gelegd op ‘de vrijwaring van een pluriforme, onafhankelijke en performante Vlaamse opiniepers' en dit in het licht van haar maatschappelijke en democratische functie. De steun diende voor gemeenschappelijke opleidingsprojecten per koepelorganisatie (Vlaamse Nieuwsmedia, voorheen Vlaamse Dagbladpers, The PPress, VUKPP en UPP). Eind november 2011 werd de werking van dit protocol in de praktijk beëindigd en werd de MediAcademie door 4 beroepsorganisaties van de geschreven pers (Vlaamse Nieuwsmedia, The Ppress, UPP en VUKPP) met steun van de Vlaamse minister van Media opgericht.[156]

Oorspronkelijk had de MediAcademie enkel als doel uitgevers, redacties, journalisten en mediaprofessionals te ondersteunen inzake bijscholing opdat de kwaliteit van de geschreven pers bestendigd wordt. Via opleidingen wilde het ‘tegemoetkomen aan de strategische uitdagingen van een snel evoluerend digitaal medialandschap’. Bovendien stroomlijnde de MediAcademie ‘bedrijfsopleidingen van de geschreven persuitgevers, die de ontwikkeling van algemene, niet-redactiespecifieke vaardigheden beogen’[157] en gaf extra opleidingen op advies. Dit doel werd uitgebreid naar de audiovisuele sector.

Naast de organisatie en coördinatie van opleidingen op maat in de Vlaamse mediasector, neemt de MediAcademie ook steeds nadrukkelijker de uitbouw en organisatie van overlegstructuren op zich die verband houden met talentmanagement in de sector.
 

4.3.2.Steun aan de regionale televisieomroeporganisaties

Naast de rechten en plichten van de private televisieomroeporganisaties moeten regionale televisieomroeporganisaties nog aan bijkomende verplichtingen voldoen. In het Mediadecreet is aan de regionale televisieomroeporganisaties een specifieke decretaal vastgelegde opdracht opgelegd. In de artikelen 165 tot 173 van het Mediadecreet worden de rechten en plichten van de regionale omroepen beschreven.

Zo heeft een regionale televisieomroeporganisatie als taak “regionale informatie te brengen met de bedoeling binnen het verzorgingsgebied, dat aan de regionale televisieomroeporganisaties door de Vlaamse Regering krachtens artikel 168 wordt toegewezen, de communicatie onder de bevolking en tussen de overheden en de bevolking te bevorderen en bij te dragen tot de algemene sociale en culturele ontwikkeling van de regio.”[158] De omroepprogramma’s van de regionale televisieomroeporganisaties moeten voor minstens 80% betrekking hebben op het eigen regionale verzorgingsgebied.[159]

Bij “Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen over de regionale televisieomroeporganisaties van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie” van 21 februari 2014[160] werden aan deze taak volgende opdrachten toegevoegd:

 “Naast de taak, vermeld in het eerste lid, vervult de regionale televisieomroeporganisatie de volgende opdrachten:

1° het bereiken van een zo groot mogelijk aantal kijkers binnen het verzorgingsgebied met programma’s met regionale informatie over het verzorgingsgebied;

2° het verzekeren van een hoge mate van betrokkenheid van kijkers bij de programma’s door het aanbod van interactieve toepassingen;

3° het voeren van een actief diversiteitsbeleid in de organisatie en in het programma-aanbod.”.


Door de decretaal opgelegde opdracht is het voor hen moeilijker om concurrentieel te zijn met andere televisieomroeporganisaties. Hun marktaandeel ligt duidelijk lager dan de andere televisieomroeporganisaties onder andere doordat ze voor een kleiner uitzendgebied werken. Daarnaast worden de programma’s van de regionale televisieomroeporganisaties in een lus uitgezonden.

De laatste 6 jaar is er een duidelijke negatieve trend aanwezig m.b.t. de financiën van deze televisieomroeporganisaties (zie 3.1.2.2.4 Regionale omroeporganisaties) waarbij ook de reclame-inkomsten en de kijkcijfers daalden. Daar kwam bovendien bij dat Telenet eind 2011 aankondigde om alle televisieomroeporganisaties auteursrechtelijk te gaan vergoeden o.b.v. hun marktaandeel. Hierdoor zouden de inkomsten van de regionale omroeporganisaties nog verder krimpen. Als reactie op deze situatie is in februari 2014 een aanpassing aan het Mediadecreet[161] goedgekeurd. Voortaan worden de dienstenverdelers in het Nederlandstalige gebied verplicht om een financiële bijdrage te leveren aan de regionale omroeporganisaties op basis van de bereikmeting van hun omroepprogramma.

Bovendien moeten de omroeporganisaties zich verder ontwikkelen in het aanbieden van interactieve diensten, het vergroten van hun bereik en het bekomen van diversiteit.
 

4.3.3.Stimuleringsregeling van de audiovisuele sector

Een derde wijze waarop de overheid een divers aanbod stimuleert, is het uitschrijven van een stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector waarbij dienstenverdelers[162] financieel moeten bijdragen aan nieuwe tv-producties.

Het doel is onder meer de dienstenverdelers te doen deelnemen aan de productie van audiovisuele werken om zo van de mediasector een sterke economische sector te maken, de leefbaarheid van het omroepbestel in Vlaanderen de nodige stimulansen te geven en de kwaliteit en de diversiteit van de Vlaamse programmamakers en audiovisuele producenten te stimuleren in tijden van crisis.

Deze materie werd geregeld bij het “decreet tot wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, houdende invoering van een stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector” (B.S. 12/02/2014) en door het uitvoeringsbesluit van 21 maart 2014 (B.S. 03/04/2014). Deze regeling is ingevoegd bij artikel 184/1, van het Mediadecreet.

Voor de financiële bijdrage kunnen de dienstenverdelers kiezen tussen een financiële vergoeding aan het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds) of deze vergoeding zelf investeren in een coproductie.

Artikel 184/1, § 1  […] ofwel onder de vorm van financiële bijdrage aan de coproductie van audiovisuele werken ofwel onder de vorm van een financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds, …”. [Deze laatste bijdrage zal] “… besteed [worden] aan Vlaamse, kwalitatieve onafhankelijke producties in reeksvorm, die tot stand komen in coproducties met de openbare omroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap en/of de in Vlaanderen erkende en/of aangemelde televisieomroeporganisaties en waarover de Vlaamse Regering met het VAF een beheersovereenkomst sluit.”[163]

De hoogte van de financiële vergoeding hangt af van de keuze van de dienstenverdeler zoals bepaald in artikel 184/1, §3, van het Mediadecreet. Hij kan kiezen uit een forfaitaire bijdrage of een financiële vergoeding per abonnee.

Artikel 184/1, § 3 Het forfaitaire bedrag van de deelname van elke dienstenverdeler aan de productie van audiovisuele werken, vermeld in paragraaf 1, bedraagt 3 miljoen euro per jaar. In afwijking daarvan kan de dienstenverdeler opteren voor een deelname voor een bedrag van 1,3 euro per abonnee in het Nederlandse taalgebied, berekend op grond van de meest recente en door de Vlaamse Regulator voor de Media aanvaarde gegevens die werden meegedeeld in uitvoering van artikel 182. […]
 

4.3.4.Uitbreidingsmogelijkheden

Ten gevolge van de stimuleringsregeling zijn de dienstenverdelers verplicht om de audiovisuele sector te ondersteunen. Wanneer een dienstenverdeler aandelen van een mediagroep over neemt waardoor het eigenaar wordt van een televisieomroeporganisatie, kan het zijn dat hij de verplichte bijdrage ten voordele van de eigen zenders gaat gebruiken. Hierdoor kan er een ongelijkheid optreden tussen de verschillende dienstenverdelers. Het is belangrijk om na te gaan in welke mate deze ongelijkheid doorweegt op het functioneren van de mediamarkt. De VRM zou in dat geval aanbevelen om een beperkend mechanisme in te bouwen

 


[154] Daarnaast bestaat er ook een bijstand aan online initiatieven zoals apache.be en Get Basic, de vzw achter De Wereld Morgen, die voor een divers medialandschap zorgen als complementaire, objectieve nieuwsbron met de bestaande mediagroepen.

[155] Walter Aertsens,  “Steun voor multimediaprojecten” -  Eric Van Rompuy minister van Economie, KMO, Landbouw en Media, opiniepers http://www.vlaanderen.be/servlet/Satellite?c=NB_Nieuwsbericht&cid=114006..., 28 oktober 1998

[156] Vlaams Parlement, “Beleidsbrief Media Beleidsprioriteiten 2012-2013 - 1.1.2. Opleidingen en levenslang leren: de MediAcademie”, http://www.cjsm.vlaanderen.be/media/downloads/beleidsbrief2012-2013_media.pdf , 22 oktober 2012, stuk 1764 (2012-2013) – nr.1, p.13

[157] Website MediAcademie, ‘Over ons’

[158] Artikel165, van het Mediadecreet

[159] Artikel 169, °8, van het Mediadecreet

[160] Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen over de regionale televisieomroeporganisaties van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, 21 februari 2014, http://vlaamseregulatormedia.be/media/23195/decreet%20regionale%20tv-omroep%2021%20februari%202014.pdf

[161] Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen over de regionale televisieomroeporganisaties van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, 21 februari 2014, http://vlaamseregulatormedia.be/media/23195/decreet%20regionale%20tv-omroep%2021%20februari%202014.pdf

[162] Dit zijn de dienstenverdelers die een of meerdere omroepdiensten van een of meerdere televisieomroeporganisaties die vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, op lineaire of niet-lineaire wijze ter beschikking stellen van het publiek.

[163] Art 184/1§1 Decreet tot wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, houdende invoering van een stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector.